Paniekstoornis diagnose – de officiële criteria

paniekaanval feiten. paniekstoornis diagnose

paniekaanval feiten


Meer dan één op de vijf mensen heeft ooit een paniekaanval; vrouwen hebben twee keer zoveel kans op het krijgen van een paniekaanval, vergeleken met mannen [1],[2],[3]. Gelukkig krijgt niet iedereen die een paniekaanval krijgt ook een paniekstoornis diagnose (tussen de 3,7 en 4,1% van de mensen ontwikkelt ooit een paniekstoornis [1],[4],[5]).
Een paniekstoornis diagnose helpt de therapeut en onderzoekers om de meest effectieve paniekstoornis behandeling te vinden, om te achterhalen waardoor paniekstoornis veroorzaakt worden en om te testen op welke manier(en) paniekaanvallen voorkomen kunnen worden. Deze diagnose kan de cliënt helpen begrijpen wat er met hen aan de hand is en kan ze helpen bij het vinden van de meest effectieve behandeling. Deze pagina bespreekt de paniekstoornis diagnose en legt uit wat de criteria precies betekenen. NOOT: deze officiele criteria zijn afkomstig uit de DSM V (2013).
 

 

Bij Barends Psychology Practice worden paniekaanvallen en paniekstoornissen (online) behandeld. Meld je hier aan om een eerste, gratis sessie in te plannen. Afhankelijk van de zorgverzekeraar kunnen sommige behandelingen vergoed worden).

 
 

Voor meer informatie over paniekaanvallen:

 
 

Paniekstoornis diagnose – de officiële criteria

De persoon ervaart herhaaldelijke en onverwachte paniekaanvallen. Bij tenminste één van die paniekaanvallen is er sprake van een periode van een maand waarin de persoon zich zorgen maakt over

  • (1) het krijgen van nieuwe paniekaanvallen, of
  • (2) de gevolgen van een paniekaanval (bijvoorbeeld het krijgen van een hartaanval), en/of
  • (3) de persoon heeft zijn of haar gedrag op een negatieve manier aangepast (bijvoorbeeld door situaties te vermijden die kunnen zorgen voor paniek sensaties).

De persoon kan met verschillende frequentie en hevigheid verwachte en onverwachte paniekaanvallen krijgen. Bij een verwachte paniekaanval kan gedacht worden aan het teruggaan naar de supermarkt waar de persoon al eerder een paniekaanval had. Met onverwachte paniekaanvallen doelt men op de plotselinge paniekaanval waarbij er op het oog geen sprake is van een trigger.
Met andere woorden, iemand kan een paniekstoornis diagnose krijgen als er sprake is van één van de drie hierboven genoemde criteria en er sprake is van bijvoorbeeld drie paniekaanvallen per dag die 30 minuten aanhouden of bijvoorbeeld één paniekaanval per week die 10 minuten duurt.

Paniekaanvallen worden gekenmerkt door een abrupte golf van intense angst of lichamelijk ongemak, waarbij de piek van de paniekaanval vaak binnen 10 minuten van het eerste symptoom bereikt wordt. Om hiervan te kunnen spreken moet er sprake zijn van tenminste vier van de hieronder genoemde symptomen:

  • Hartkloppingen, bonzend hart, tachycardie
  • Zweten/transpireren
  • Spiertrillingen, trillen
  • Kortademigheid, gevoelens van verstikking
  • Pijn/vervelend gevoel op de borstkas
  • Misselijkheid, buikpijn
  • Duizeligheid, licht in het hoofd, gevoel flauw te gaan vallen, verlies van evenwicht
  • Derealisatie, depersonalisatie
  • Angst om controle te verliezen of om gek te worden
  • Angst om dood te gaan
  • Gevoelloosheid of tintelingen
  • Koude en/of warme rillingen

NOOT: Paniekaanvallen met minder dan vier van de hierboven genoemde symptomen worden gezien als paniekaanvallen met beperkt aantal symptomen. Mocht dit het geval zijn, dan is het handig om nog eens goed na te gaan of er één of meerdere symptomen over het hoofd gezien zijn.

Om aan een paniekstoornis diagnose te voldoen mogen de symptomen niet toegeschreven kunnen worden aan middelenmisbruik of -afhankelijkheid (denk aan bijwerkingen van medicatie of afkickverschijnselen) of aan andere medische aandoeningen (denk aan specifieke fobieën of OCS).
Mocht je willen weten of je last hebt van paniekaanvallen of dat er misschien sprake is van een paniekstoornis diagnose, dan kun je de gratis paniekstoornis test doen.
 
 

Literatuur:

  • [1] Kessler, R. C., Chiu, W. T., Jin, R., Ruscio, A. M., Shear. K., & Walters, E. E., 2006. The epidemiology of panic attacks, panic disorders, and agoraphobia in the National Comorbidity Survey Replication. Arch. Gen. Psychiaty, 63, 415-424.
  • [2] Goodwin, R. D., Farvelli, C., Rosi, S., Cosci, F., Truglia, E., de Graaf, E., Wittchen, H. U., 2005. The epidemiology of panic disorder and agoraphobia in Europe. Eur. Neuropsychopharmacol., 15, 435-43.
  • [3] Sheikh, J. I., Leskin, G. A., & Klein, D. F. (2002). Gender differences in panic disorder: findings from the National Comorbidity Survey. American Journal of Psychiatry, 159, 55-58.
  • [4] Lee, H. B., Hening, W. A., Allen, R. P., Kalaydjian, A. E., Earley, C. J., Eaton, W. W., & Lyketsos, C. G. (2008). Restless legs syndrome is associated with DSM-IV major depressive disorder and panic disorder in the community. The Journal of neuropsychiatry and clinical neurosciences, 20, 101-105.
  • [5] Grant, B. F., Hasin, D. S., Stinson, F. S., Dawson, D. A., Goldstein, R. B., Smith, S., … & Saha, T. D. (2006). The epidemiology of DSM-IV panic disorder and agoraphobia in the United States: results from the National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions. The Journal of clinical psychiatry.