Wat is een angststoornis?

Type angststoornissen. Agorafobie, paniekstoornis, selectief mutisme, gegeneraliseerde angststoornis, sociale angststoornis, verlatingsangst en specifieke fobie.

Iedereen heeft wel eens momenten waarop ze angstig en nerveus zijn, zoals vlak voor examens of een sollicitatiegesprek. Het is normaal en zelfs gezond om zo nu en dan angstig te zijn. Echter, als de angst te hevig wordt en het je ervan weerhoudt normale activiteiten te doen, dan is het mogelijk dat je één van de angststoornissen op deze pagina hebt.

Angststoornissen zijn psychische stoornissen die worden gekenmerkt door sterke gevoelens van angst en vrees. Zowel angst als vrees kunnen zorgen voor fysieke en emotionele klachten zoals transpireren, hartkloppingen, vrees, paniek, maar ook kunnen mensen ervan gaan piekeren, plaatsen vermijden, en soms weerhoudt het mensen ervan het huis uit te gaan.

Er zijn verschillende angststoornissen: sociale angststoornis, gegeneraliseerde angststoornis, specifieke fobie, paniekstoornis, Agorafobie, verlatingsangst en selectief mutisme. Iedere angststoornis heeft een verschillende groep symptomen, behandeling, impact op het dagelijks leven en leeftijd vanaf wanneer het zich ontwikkelt. De pagina bespreekt de verschillen.
 


 

Go to:


 
 

Bij Barends Psychology Practice wordt behandeling voor angststoornissen aangeboden (ook online). Meld je hier aan voor een eerste, gratis sessie. (Afhankelijk van jouw zorgpolis kan het zijn dat de behandeling (deels) vergoed wordt).

 
 

Angststoornissen – sociale angststoornis

Sociale angststoornis. Hoe is het om sociale angststoornis te hebben. Angststoornissen.
Sociale angststoornis (of sociale fobie) wordt gekenmerkt door buitensporige en onredelijke angst voor sociale situaties. Mensen met sociale angststoornis (SAS) hebben veel last van stress, angst en nervositeit als ze voor publiek of in een kleine groep moeten spreken of als ze iets moeten laten zien waar anderen bijzijn. Het gevoel bekeken, beoordeeld of bekritiseerd te worden, zorgt ervoor dat ze erg zelfbewust worden en nerveus, omdat ze erg bang zijn om fouten te maken of zichzelf voor schut zetten. Het komt veel voor dat mensen met SAS sociale situaties vermijden als er een gerede kans is om (teveel) aandacht te krijgen.
Sociale angststoornis ontwikkelt zich normaliter tussen de 12 en 16,6 jaar [2],[3],[4],[7]. Afhankelijk van de steekproef die gebruikt is in de onderzoeken heeft tussen de 7,4 en 13 van de 100 mensen ooit sociale angststoornis [5],[6],[7],[9].
 
Veiligheidsgedrag: het komt vaak voor dat mensen met SAS gebruikmaken van veiligheidsgedrag of -signalen om ze te helpen om tot rust te komen. Voorbeelden zijn: een vriend meevragen naar een feest, een paar alcoholische versnaperingen nemen bij aankomst ergens, overal deodorant mee naartoe nemen.
 
Symptomen:

  • Angst of vrees voor/tijdens sociale situaties, waardoor de persoon zich bekeken, opgemerkt of bestudeerd voelt.
  • Bang om angst en vrees te laten zien en om sociaal afgewezen te worden.
  • Sociale interacties worden vermeden of met tegenzin bijgewoond.
  • Sociale interacties zorgen voor constante stress.
  • Sociale angst zorgt voor persoonlijke stress en beperkt iemand op bepaalde domeinen zoals werk en sociaal.
  • De angst en vrees zijn buitenproportioneel.
  • De bovengenoemde symptomen zijn langer dan zes maanden aanwezig.

 
 
Voor meer informatie over sociale angststoornis, ga naar:


 
 

Angststoornissen – Paniekstoornis

Paniekstoornis. Hoe ziet een paniekaanval eruit.
Een paniekstoornis wordt gekenmerkt door onverwachte en terugkerende paniekaanvallen. Tijdens een paniekaanval heeft iemand erg veel last van hevige angst gepaard met fysieke klachten, zoals pijn op de borst, hartkloppingen, kortademigheid, gevoelloosheid, beven en duizeligheid. Bij de meeste paniekaanvallen is de piek bereikt binnen 30 minuten na de start van de aanval. Het is voor de meeste mensen erg lastig om te achterhalen waarom ze een paniekaanval hadden. Als gevolg hiervan kunnen ze zich zorgen gaan maken over een nieuwe paniekaanval en plaatsen gaan vermijden die hen doen denken aan paniekaanvallen.
Een paniekstoornis ontwikkelt zich vaak tussen de 6,8 en 7,1 jaar [2],[3],[4],[7]. Afhankelijk van de steekproef die gebruikt is tijdens de onderzoeken heeft tussen de 2,4 en 7,1 op de 100 mensen ooit last van een paniekstoornis [6],[7],[9].
 
Veiligheidsgedrag: het is normaal voor mensen met een paniekstoornis om veiligheidsgedrag te gebruiken om te kalmeren of om door de paniekaanval te geraken. Voorbeelden zijn: een vriend opbellen, een vriend meenemen naar bepaalde locaties, een angstremmer nemen, bepaalde rituelen uitvoeren of zichzelf afleiden door voorwerpen te tellen.
 
Symptomen:

  • Bonzend hart, hartkloppingen, tachycardie.
  • Zweten.
  • Spiertrillingen, trillen.
  • Kortademigheid, gevoel hebben te stikken.
  • Dichtgeknepen keel.
  • Pijn of een drukkend gevoel op de borst.

  • Misselijkheid, maagpijn.
  • Duizeligheid, licht in het hoofd, gevoel hebben flauw te vallen.
  • Derealisatie, depersonalisatie.
  • Angst om de controle te verliezen of om gek te worden.
  • Angst om dood te gaan
  • Gevoelloosheid, tintelende sensaties.
  • Koude en warme rillingen.

 
 
Voor meer informatie over piekstoornis, ga naar:


 
 

Angststoornissen – Agorafobie

Agorafobie. Hoe ziet Agorafobie eruit. Angststoornissen.
Agorafobie wordt gekenmerkt door angst voor situaties waarbij ontsnapping moeilijk of onmogelijk is. Mensen met Agorafobie zijn vaak bang voor drukke plaatsen, open ruimtes of bruggen, omdat ze zich op deze plaatsen gevangen, hulpeloos of verlegen voelen. De angst zorgt vaak voor problemen met ademhalen, pijn op de borst, duizeligheid, zweten en hartkloppingen. Deze klachten zijn vaak erg vervelend en leiden soms tot een paniekaanval. Om paniekaanvallen en deze klachten te voorkomen vermijden mensen met Agorafobie plaatsen en situaties waarin ze zich hulpeloos of gevangen voelen. De kleinste lichamelijke klacht in een nieuwe situatie kan al zorgen voor hevige angst en stress. Bij mensen met een hevige vorm van Agorafobie komt het geregeld voor dat ze opgesloten zitten in hun eigen huis, omdat de lichamelijke klachten al beginnen bij het naar buiten gaan.
Agorafobie ontwikkelt zich meestal vanaf 25 jarige leeftijd [15]. Tussen de 6,5 en 37 van de 1000 (duizend) mensen ontwikkelt ooit Agorafobie [6],[7],[9],[12],[13],[14].
 
Veiligheidsgedrag: het is normaal voor mensen met Agorafobie om veiligheidsgedrag of -signalen in te zetten om te kalmeren of om door de beangstigende situatie te geraken. Voorbeelden zijn: een vriend of telefoon meenemen naar een bepaalde locatie, alleen winkelen op een bepaald tijdstip (wanneer er maar weinig mensen in de winkel of op straat zijn), een hond meenemen (als veiligheidssignaal of als afleiding).
 
Symptomen:

  • Bonzend hart.
  • Zweten.
  • Ademhalingsproblematiek.
  • Trillen of beven.
  • Koud of warm voelen.

  • Misselijk of diarree.
  • Duizeligheid of flauwvallen.
  • Pijn op de borst.
  • Problemen met slikken.
  • Angst om te sterven.

 
 
Voor meer informatie over Agorafobie, ga naar:
  • Wat is Agorafobie? (verschijnt binnenkort)
  • Wat veroorzaakt Agorafobie? (verschijnt binnenkort)
  • Agorafobie diagnose. (verschijnt binnenkort)
  • Agorafobie behandeling.

  • Agorafobie test. (verschijnt binnenkort)
  • Omgaan met Agorafobie. (verschijnt binnenkort)
  • Partner met Agorafobie. (verschijnt binnenkort)
  • Interessante Agorafobie feiten. (verschijnt binnenkort)/li>

 
 

Angststoornissen – Specifieke fobieën

Specifieke fobie feiten. Alle mogelijke symptomen en klachten die iemand met een specifieke fobie kan hebben. Angststoornissen.
Een specifieke fobie wordt gekenmerkt door aanhoudende, onrealistische en buitenproportionele angsten voor een specifieke situatie of specifiek dier/voorwerp. Deze aanhoudende en onrealistische angsten kunnen zorgen voor ademhalingsproblematiek, zweten, hyperalertheid en nervositeit. Mensen met een specifieke fobie hebben ook de neiging om de situatie voortijdig te verlaten of weigeren het fobische voorwerp/dier te naderen. Helaas zoren de lichamelijke klachten en de weerzin om het fobische voorwerp/dier te naderen ervoor dat de angst en vrees voor het fobische voorwerp/dier of de situatie sterk toeneemt.

Een specifieke fobie ontwikkelt zich tussen de 6 en 11 jaar [16]. De specifieke fobie is één van de meest voorkomende angststoornissen; tussen de 9 en 18,4 van de 100 mensen ontwikkelt ooit een specifieke fobie [6],[7],[9].
 
Veiligheidsgedrag: het is normaal voor mensen met een specifieke fobie om veiligheidsgedrag of -signalen te gebruiken om te kalmeren tijdens een situatie (denk aan vliegangst) of om een confrontatie met het fobische dier/voorwerp te vermijden. Voorbeelden zijn: de situatie voortijdig verlaten, een vriend meenemen, een stok of wapen bij zich hebben ter verdediging of angstremmende medicatie gebruiken om tot rust te komen.
 
Symptomen:

  • Kortademigheid.
  • Zweten.
  • Ademhalingsproblematiek.
  • Trillen.
  • Hyperalertheid.
  • Vrees.
  • Terreur.
  • De situatie voortijdig willen verlaten.

  • Spierspanningen.
  • Rusteloosheid.
  • Snel kloppend hart.
  • Licht in het hoofd.
  • Nervositeit.
  • Angst voor verwonding.
  • Piekeren.
  • Angst om dichterbij te komen.

 
 
Voor meer informatie over specifieke fobie, ga naar:
 


 
 

Angststoornissen – Gegeneraliseerde angststoornis

Gegeneraliseerde angststoornis. Hoe is het om een gegeneraliseerde angststoornis te hebben. Angststoornissen
Gegeneraliseerde angststoornis (GAS) wordt gekenmerkt door erg veel, oncontroleerbaar en onrealistisch piekeren over normale dingen. Mensen met GAS piekeren zo vaak en over van alles, omdat ze niet om kunnen gaan met onzekerheid. Deze onzekerheid kan de kans vergroten dat de doemscenario’s uitkomen, volgens mensen met GAS. op korte termijn vermindert het piekeren de stress en angst, maar op de lange termijn neemt de angst en stress juist toe. Mensen met GAS hebben vaak last van vermoeidheid, moeite met ontspannen, spierspanningen, slaapproblemen, excessief piekeren en angst om de verkeerde beslissing te nemen.
Gegeneraliseerde angststoornis ontwikkelt zich vaak pas vanaf 26,6 jaar [7] en komt voor bij 2 tot 9 van de 100 mensen [6],[7],[9].

Veiligheidsgedrag: Het komt vaak voor dat mensen met GAS gebruik maken van veiligheidsgedrag en -signalen om de angst en stress te verminderen. Voorbeelden zijn: piekeren over van alles, de mening van een vriend vragen, vragen of een ander de beslissing kan nemen, verantwoordelijkheden uit de weg gaan of angstremmende medicatie gebruiken.
 
Symptomen:

  • Buitensporig en hardnekkig piekeren over situaties/problemen.
  • Onvermogen om te stoppen met piekeren.
  • Angst om de verkeerde beslissing te nemen.
  • Stress en nervositeit bij het maken van beslissingen.
  • Onvermogen om te ontspannen.
  • Moeite met concentreren.
  • Onvermogen om met onzekerheid om te gaan.
  • Denken aan doemscenario’s.

  • Spierspanningen.
  • Prikkelbaarheid.
  • Trillen.
  • Vermoeidheid.
  • Erg op de hoede.
  • Zweten.
  • Misselijkheid en diarree.
  • Hoofdpijnen.

 
 
Voor meer informatie over gegeneraliseerde angststoornis, ga naar:


 
 
 

Angststoornissen – Verlatingsangst/h2>
Hoe is het om verlatingsangst te hebben. Angststoornissen
Verlatingsangst wordt gekenmerkt door ongewone gevoelens van ongemak, buitensporige angst bij en zorgen over (mogelijke)separatie van de hechtingspersoon. Iemand met verlatingsangst is bang dat de hechtingspersoon iets naars zal overkomen. Deze angsten en zorgen kunnen resulteren in lichamelijke klachten, slaapproblemen, angst om alleen te zijn, weigering om de hechtingspersoon te verlaten en hardnekkig piekeren over de hechtingspersoon.
Verlatingsangst bij kinderen ontstaat vaak rond 6 jarige leeftijd, bij volwassenen is dit ongeveer 18 jaar. Bij 1,2 tot 8,7 van de 100 mensen komt verlatingsangst ooit voor [6],[8],[9].
 
Symptomen:

  • Buitensporig en hardnekkig piekeren over de gezondheid van hechtingspersonen.
  • Terugkerende gevoelens van ongemak wanneer de hechtingspersoon weggaat.
  • Weigering om het huis te verlaten.
  • Weigering om alleen thuis te blijven.
  • Weigering om in slaap te vallen zonder hechtingspersoon in de buurt.
  • Nachtmerries.
  • Onvermogen om te concentreren wanneer hechtingspersoon weg is.
  • Tijdens separatie: buikpijnen, hoofdpijn en andere lichamelijke klachten.
  • Bedplassen (bij kinderen).
  • Woede-uitbarstingen of smeken.
  • Angst om alleen te zijn.

 
 
Voor meer informatie over verlatingsangst, ga naar:

  • Wat is verlatingsangst?
  • Oorzaken voor verlatingsangst.
  • Verlatingsangst symptomen.
  • Verlatingsangst behandeling.

  • Verlatingsangst test.
  • Interessante verlatingsangst feiten.
  • Omgaan met verlatingsangst.
  • Partner met verlatingsangst.

  •  
     

    Angststoornissen – Selectief mutisme

    Selectief mutisme. Wat is selectief mutisme. Angststoornissen.
    Selectief mutisme is een van de angststoornissen dij bijna altijd gepaard gaat met sociale angststoornis (meer dan 95 van de 100 mensen met selectief mutisme heeft ook een angststoornis) [17],[18],[19]. Hoewel mensen erg spraakzaam kunnen zijn bij mensen bij wie ze zich op hun gemak voelen, zijn ze stil in situaties met mensen bij wie ze zich niet op hun gemak voelen. Kinderen of volwassenen met selectief mutisme kunnen niet praten tegen bepaalde personen of in specifieke situaties, ondanks de negatieve gevolgen die dit voor ze kan hebben (denk aan schaamte, straf of sociale afwijzing). Het is lastig voor ze om oogcontact te houden en emoties te uiten, ze zijn erg verlegen en zijn terughoudend bij het lachen.
    Selectief mutisme ontwikkelt zich rondom de leeftijd van 3 jaar en 4 maanden. Selectief mutisme is één van de minst voorkomende angststoornissen: tussen de 7,1 en 22 van de 1000 (duizend) mensen ontwikkelt ooit eens selectief mutisme [10],[11].
     
    Signalen:

    • Verlegenheid.
    • Vermijden van oogcontact.
    • Moeite bij het maken van oogcontact.
    • Moeite bij het uitdrukken van emoties en gevoelens.
    • Terughoudendheid bij het lachen.
    • Niet praten in specifieke situaties of tegen bepaalde personen.
    • Meer piekeren dan andere kinderen van dezelfde leeftijd.
    • Gevoeligheid voor geluiden en menigten.

     
    NOOT: vanwege de sterke overlap met autisme spectrum stoornissen en mutisme door trauma, wordt selectief mutisme als diagnose nog te vaak over het hoofd gezien.
     
     
    Voor meer informatie over selectief mutisme, ga naar:

    • Wat is selectief mutisme? (verschijnt binnenkort)
    • Oorzaken van selectief mutisme. (verschijnt binnenkort)
    • Selectief mutisme symptomen. (verschijnt binnenkort)
    • Selectief mutisme behandeling. (verschijnt binnenkort)

  • Selectief mutisme test. (verschijnt binnenkort)
  • Interessante feiten over selectief mutisme. (verschijnt binnenkort)
  • Selectief mutisme verhelpen. (verschijnt binnenkort)
  • Partner met selectief mutisme. (verschijnt binnenkort)

  •  
     

    Literatuur:

    • [1] Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. American Psychiatric Association (5th ed.). Arlington: American Psychiatric Publishing. 2013. pp. 189–195.
    • [2] Kessler, R. C., Berglund, P., Demler, O., Jin, R., Merikangas, K. R., & Walters, E. E. (2005). Lifetime prevalence and age-of-onset distributions of DSM-IV disorders in the National Comorbidity Survey Replication. Archives of general psychiatry, 62, 593-602.
    • [3] Fehm, L., Beesdo, K., Jacobi, F., & Fiedler, A. (2008). Social anxiety disorder above and below the diagnostic threshold: prevalence, comorbidity and impairment in the general population. Social psychiatry and psychiatric epidemiology, 43, 257-265.
    • [4] Fehm, L., Pelissolo, A., Furmark, T., & Wittchen, H. U. (2005). Size and burden of social phobia in Europe. European neuropsychopharmacology, 15, 453-462.
    • [5] Crome, E., Grove, R., Baillie, A. J., Sunderland, M., Teesson, M., & Slade, T. (2015). DSM-IV and DSM-5 social anxiety disorder in the Australian community. Australian & New Zealand Journal of Psychiatry, 49, 227-235.
    • [6] Kessler, R. C., Petukhova, M., Sampson, N. A., Zaslavsky, A. M., & Wittchen, H. U. (2012). Twelve‐month and lifetime prevalence and lifetime morbid risk of anxiety and mood disorders in the United States. International journal of methods in psychiatric research, 21, 169-184.
    • [7] McLean, C. P., Asnaani, A., Litz, B. T., & Hofmann, S. G. (2011). Gender differences in anxiety disorders: prevalence, course of illness, comorbidity and burden of illness. Journal of psychiatric research, 45, 1027-1035.
    • [8] Shear, K., Jin, R., Ruscio, A. M., Walters, E. E., & Kessler, R. C. (2006). Prevalence and correlates of estimated DSM-IV child and adult separation anxiety disorder in the National Comorbidity Survey Replication. American Journal of Psychiatry, 163, 1074-1083.
    • [9] Costello, E. J., Egger, H. L., & Angold, A. (2005). The developmental epidemiology of anxiety disorders: phenomenology, prevalence, and comorbidity. Child and Adolescent Psychiatric Clinics, 14, 631-648.
    • [10] Elizur, Y., & Perednik, R. (2003). Prevalence and description of selective mutism in immigrant and native families: A controlled study. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 42, 1451-1459.
    • [11] Bergman, R. L., Piacentini, J., & McCracken, J. T. (2002). Prevalence and description of selective mutism in a school-based sample. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41, 938-946.
    • [12] Grant, B. F., Hasin, D. S., Stinson, F. S., Dawson, D. A., Goldstein, R. B., Smith, S., … & Saha, T. D. (2006). The epidemiology of DSM-IV panic disorder and agoraphobia in the United States: results from the National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions. The Journal of clinical psychiatry.
    • [13] Kessler, R. C., Ruscio, A. M., Shear, K., & Wittchen, H. U. (2009). Epidemiology of anxiety disorders. In Behavioral neurobiology of anxiety and its treatment (pp. 21-35). Springer, Berlin, Heidelberg.
    • [14] Kessler, R. C., Chiu, W. T., Jin, R., Ruscio, A. M., Shear, K., & Walters, E. E. (2006). The epidemiology of panic attacks, panic disorder, and agoraphobia in the National Comorbidity Survey Replication. Archives of general psychiatry, 63, 415-424.
    • [15] Viana, M. C., & Andrade, L. H. (2012). Lifetime prevalence, age and gender distribution and age-of-onset of psychiatric disorders in the São Paulo Metropolitan Area, Brazil: results from the São Paulo Megacity Mental Health Survey. Revista Brasileira de Psiquiatria, 34, 249-260.
    • [16] Merckelbach, H., de Jong, P. J., Muris, P., & van Den Hout, M. A. (1996). The etiology of specific phobias: A review. Clinical Psychology Review, 16, 337-361.
    • [17] Dummit, E. S.; Klein, R. G.; Tancer, N. K.; Asche, B.; Martin, J.; Fairbanks, J. A. (1997). “Systematic Assessment of 50 Children with Selective Mutism”. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 36, 653–660.
    • [18] Vecchio, J. L.; Kearney, C. A. (2005). “Selective Mutism in Children: Comparison to Youths with and Without Anxiety Disorders”. Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 27, 31–37.
    • [19] Black, B.; Uhde, T. W. (1995). “Psychiatric Characteristics of Children with Selective Mutism: A Pilot Study”. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 34, 847–856.